Historie

Uit "Kastelen en Buitenplaatsen in Zuid-Holland", uitgave jaar 2000 het oorspronkelijke artikel is geschreven door Theo Schelhaas, toenmalig stadsarchivaris te Leiden.

Onder Ouddorp in de huidige gemeente Goeree-Overflakkee, aan het eind van de Steenweg, op de hoek van de Waterweg en de Bosweg, ligt de Motte van Spreeuwestein (of Spreeuwenstein). Van oudsher behoorde ook het stuk grond tussen Motte en Bosweg tot het terrein. In het open terrein verheft de Motte zich als een lichte verhoging, die in omtrek tamelijk groot is. Ooit lag hier een veel steilere heuvel waarop bebouwing stond, wellicht een woontoren met daaromheen een muur. Rondom de heuvel lag een gracht. Bijgebouwen, zoals een boerderij en een poortgebouw, die meestal onderdeel van een kasteelcomplex uitmaken, zouden op het terrein tussen Motte en Bosweg kunnen hebben gestaan. Wellicht is deze bebouwing te vereenzelvigen met het hierna nog te noemen 'Nederhuis'.

Omdat er nooit opgravingen zijn gedaan en oude afbeeldingen ontbreken, valt er weinig te zeggen over wat er werkelijk heeft gestaan. Ook de vraag of het kasteel is gebouwd op een reeds bestaande zogeheten vliedberg, of dat de Motte is opgeworpen om daarop een kasteel te bouwen is dus nog niet beantwoord. De Motte is een rijksmonument, waarbij de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek te Amersfoort als beschermer optreedt. Overigens slaat die bescherming niet op het zogeheten voorterrein, wat eigenlijk jammer is, gezien de mogelijke aanwezigheid van resten van bijgebouwen aldaar.

Eigenaren

In de dertiende eeuw was Spreeuwenstein eigendom van een Voorns geslacht, de Heren van Somerland. De oudste vermelding van een lid van die familie is van Costijn van Somerland, die op 29 juni 1220 optrad als getuige, toen heer Dirk van Voorne aan de monniken van Ter Doest het door de zee bedreigde Middelland in Voorne schonk.
Dit Somerland is wellicht(gedeeltelijk) gelijk te stellen met de al in 985 genoemde villa Sunnemeri, waarin goederen liggen die koning/keizer Otto III (983-1002) aan de Hollandse graaf Dirk II (939-988) schonk.

Deze villa lag ten noorden van de Sonnemare, een stroom die overging in het Scoudemarediep, dat ongeveer bij de huidige punt van Goeree in zee uitmondde. Het grondgebied van Voorne vormde een decanaat, waarvan de oudste kerk en dus de zetel van de deken te Ouddorp lag. Het gotische koor van de Ouddorpse kerk is gebouwd uit tufsteen die waarschijnlijk vrijkwam uit de afbraak van de voorgangerbouw, terwijl de kerk tot 1915 een tufstenen schip had. De aanwezigheid van een oorspronkelijk tufstenen kerk wijst op hoge ouderdom. Bouwhistorici stellen namelijk dat op zijn vroegst vanaf circa 1150 de productiewijze van baksteen werd herontdekt. Dit bouwmateriaal was veel goedkoper dan de uit Duitsland geïmporteerde tufsteen, en werd vrij snel algemeen gebruikt. De kerk van Ouddorp moet dus in ieder geval van voor ongeveer 1200 stammen.

Het decanaat Voorne werd in de periode 1276-1280 merkwaardigerwijs Somerland genoemd, waarschijnlijk niet omdat Somerland samenviel met het gehele grondgebied van Voorne, maar omdat de hoofdzetel in Ouddorp lag en dus in Somerland. Costijns zonen Willem en Hendrik waren in 1229 samen eigenaar van Somerland. Daarna kwam de heerlijkheid ruim 100 jaar nier meer in de leenregisters voor en wellicht is wat men in de tweede helft van de veertiende eeuw Somerland noemt, ook niet gelijk aan het oude Somerland. Daarna gaat er bovendien weer een eeuw voorbij voordat in 1488 Somerland opnieuw als leen wordt uitgegeven. Kennelijk verdronk het telkens en werd weer bedijkt.

Een nazaat van één van de twee heren van Somerland, Costijn Hendriksz. 'tocht' zijn vrouw Heile op 22 juni 1336 met als onderpand zijn huis en landerijen in Westvoorne, deze lijftocht werd bevestigd door Gerard Heer van Voorne. Diens opvolgers Dirk van Montjoie en echtgenote Machteld van Voorne bevestigden die lijftocht nog eens op 28 april 1346. Heile was inmiddels weduwe geworden. In 1336 was al bepaald dat het huis zou vererven op zoon Jan Costijnsz. Dat geschiedde overigens volledig volgens de voorschriften van de landkeuren voor Zeeland, die kennelijk ook golden in het land van Voorne. Het hier bedoelde huis is het kasteel Spreeuwenstein. Aannemelijk is dus dat Spreeuwenstein de residentie was van het geslacht Van Somerland.

Jan Costijnsz. van Somerland verkocht het huis in 1356 en leverde het samen met zijn broers Hendrik en Albert en ook hun moeder Heile aan Gerard van Voorne, bastaardzoon van Albert van Voorne. Albert van Voorne zou, als hij niet al in 1351 zou zijn overleden, vóór zijn vader, heer van Voorne zijn geworden. Gerard de Bastaards oudste zoon Gerard erfde in 1380 aanzienlijke leengoederen, inclusief het huis te Ouddorp. Hij noemde zich naar die Motte 'Spreeuwenstein' en ook zijn nageslacht deed dat hoewel hij het kasteel in 1396 aan zijn jongere broer Govert verkocht. Bij diens belening op 24 januari 1396 werd het huis Spreeuwenstein genoemd, hetgeen al eerder in 1384 in de Voornse rekeningen het geval was. Via Goverts dochter Johanna van Spreeuwenstein vererfde het leen op de Zeeuwse familie Van den Hoogendoorn, later Van der Hooghe genaamd. Martina van de Hooghe Joostdr. was in 1515 getrouwd met Wolfert van Borselen, telg uit een bastaardtak van die familie. Hij was baljuw van Brouwershaven en kocht Spreeuwenstein van haar broer Adriaan van der Hooghe, hij werd er in 1521 mee beleend. Hun zoon Adolf van Borselen, ook baljuw van Brouwershaven, verkocht het leen in 1581 aan de schout van Goedereede, Cornelis Thoren Leendertsz. Na de Voornes ontstond zo een tweede familie die Spreeuwenstein als geslachtsnaam ging voeren. Zoon Leendert Cornelisz. van Spreeuwenstein liet het leen aan zijn zuster Klara, die was gehuwd met Gideon Willemsz. van Goch, maar zij verkocht Spreeuwenstein al in 1585 aan haar oom Mr. Adriaan Leenderts de Vogel, die net als Cornelis Leenderts Thoren een zoon was van de Goereese burgemeester Leendert Jans de Vogel.

Mr. Adriaan Leenderts de Vogel van Spreeuwenstein was tot 1608 schout van Goedereede en daarna schepen en burgemeester tot aan zijn overlijden in 1617. Hij noemde zich naar zijn nieuwe bezit, in hetzelfde jaar als zijn belening. Zijn enige dochter Petronella de Vogel van Spreeuwenstein volgde hem op in zijn leen. Zij huwde in 1624 te Rotterdam met mr. Pieter van der Horst, secretaris van Rotterdam en eveneens te Rotterdam in 1637 met Gerard van Bergen, vroedschap en burgemeester van Rotterdam en Bewindhebber van de Verenigde Oost Indische Compagnie (VOC). De volgende eigenaren zijn Pieternella's zoon Ewout van der Horst, diens zoon mr. Pieter van der Horst, advocaat-fiscaal van het College ter admiraliteit op de Maze te Rotterdam en vervolgens diens dochter Johanna Alida van der Horst (1682-1717). Zij trouwde in 1705 te 's Gravenhage met Frederik Thomas Ivoi, heer in Binderen en kwartiermeester-generaal in het Staatse leger. Uit hen stamt het adellijke geslacht Van Hangest d'Yvoy. Hun zoon Maximiliaan Ivoi (1717-1783) is de 'Heer Ijvoij', die de schrijver Jongejan in 1752 en later opvoert als degene die de ruïne van Spreeuwenstein heeft geslecht.

Uit de familie Van Hangest d'Yvoy is de eigendom overgegaan op particulieren uit Ouddorp en Goedereede. Men gebruikte het terrein om vee te weiden. Uit de kadastrale kaart en bijbehorende minuutkaart van het kadaster van 1811-1832 blijkt dat in die periode Cornelis Willemsz. Mierop , 'bouwman' (landbouwer) te Ouddorp, eigenaar was. Eén van de laatste eigenaren was de bekende Ouddorpse winkelier C. van der Bok, die Spreeuwenstein in 1995 had gekocht van familie Meijer-Koole. Van der Bok stond bekend om zijn grote interesse in al wat met de geschiedenis van van het dorp te maken heeft. Hij overleed in het voorjaar van 1998. Zijn dochter G.D. van der Bok verkreeg Spreeuwenstein en in 2014 heeft zij Spreeuwestein weer verkocht aan familie E. Tuk uit Ouddorp.

Deze familie E. Tuk heeft plannen om samen met historische vereniging 'De Motte' de unieke geschiedenis van Spreeuwestein weer bekend en beleefbaar te maken in de lokale samenleving. Er heeft eind 2015 voor het eerst in de geschiedenis van het archeologisch monument Spreeuwenstein archeologisch onderzoek plaatsgevonden en begin 2016 wordt hier nog een vervolg aan gegeven, en de uitkomsten daarvan zijn nu al zeer interessant. Mogelijk dat met goedkeuring van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed er nog verder onderzoek uitgevoerd kan gaan worden in de toekomst.

Bouwheren

Volgens huidige opvattingen werd Spreeuwenstein gesticht door een lid van het geslacht van Voorne. Op zich is dit geen ongeloofwaardige veronderstelling. De heren van Voorne heersten als vrijwel onafhankelijke vorsten over een gebied tussen de graafschappen Holland en Zeeland. Het omvatte het land dat thans ligt op de voormalige eilanden Voorne, Goeree, dat ook Westvoorne werd genoemd, het westelijke gedeelte van Flakkee, dat Zuidvoorne heette en op Schouwen, war Bommenede tot de heerlijkheid behoorde. De totale heerlijkheid was een leen van de graven van Holland. Het is goed te begrijpen dat die graven juist dit machtige geslacht, met goederen gelegen tussen Holland en Zeeland, het burggraafschap van Zeeland toevertrouwden.

De ruïne van het stamkasteel van de Voornes is nog altijd te zien in Oostvoorne, maar ook op andere plaatsen hadden zij burchten van waaruit zij hun territorium konden besturen. Een goed voorbeeld is Heenvliet, dat ook als ruïne bewaard is gebleven en dat waarschijnlijk door Hugo van Voorne werd gesticht.

Aangezien mottekastelen na het derde kwart van de dertiende eeuw niet meer werden gebouwd, kan men ervan uitgaan dat Spreeuwenstein van voor 1275 stamt. Dat stemt overeen met het voorkomen van het geslacht Somerland al in het begin van die eeuw. Gelet op zo'n vroeg eigendom van de heren van Somerland lijkt het toch aannemelijker dat zij het kasteel hebben gebouwd, en niet de heren van Voorne zoals alle schrijvers en onderzoekers tot op heden hebben betoogd. De oudste vermelding van het huis van dat geslacht dateert van 22 juni 1336 wanneer de heer van Voorne zijn goedkeuring hecht aan het feit dat Costijn Hendrikz. van Somerland zijn vrouw heeft getocht aan zijn woning, het land eromheen binnen de gracht en nog andere stukken land.

Lotgevallen

Hoe lang Spreeuwenstein als woning in gebruik is geweest, valt niet te zeggen. Zolang de geslachten Van Somerland en Van Spreeuwenstein eigenaar waren zal men permanent of tijdelijk op het kasteel hebben geresideerd. Vermoedelijk hebben overstromingen en oorlogsgeweld hieraan al vrij snel een einde gemaakt. Van Dam vermeldt overstromingen in 1283 en 1304. In 1418 belegerde Hertog Jan IV van Brabant, gehuwd met gravin Jacoba van Beieren, Dordrecht, terwijl zijn troepen Westvoorne plunderden en Goedereede in brand staken. De Sint Elizabethsvloed van 1421 ondermijnde de stadsmuren van Goedereede. In 1428 schijnen de heer en bewoners van Zevenbergen nogal huis gehouden te hebben, zodat men in 1430 besloot de stad opnieuw te versterken. Tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten belegerde jonker Frans van Brederode, aanvoerder der Hoeken, in 1490 tevergeefs Goedereede, maar het laat zich raden hoe het platteland er af kwam. In 1530 en 1570 waren er weer overstromingen. Het laatste oorlogsgeweld speelde zich af in 1604 toen Jacob Jacobz. Boey alias Boeckaert, admiraal van Antwerpen, Ouddorp plunderde. Ook Goedereede wilde hij bij verrassing nemen, maar door de oplettendheid van de bewoners kon dat gevaar worden afgewend. Ook Spreeuwenstein zal onder het natuur- en krijgsgeweld hebben geleden. Dat blijkt impliciet uit de kaarten van de Ouddorpse polders in het kaartboek van Voorne uit 1698. Er komen veel erven voor, waar vroeger huizen hebben gestaan. Toch zijn er aanwijzingen dat Spreeuwenstein na beschadigingen werd hersteld. een mooie vondst in de rekeningen van Voorne werd gedaan door de Vereniging van amateurarcheologen voor Goeree-Overflakkee 'De Motte". In 1384, dus vlak na de overstromingen in 1383, werden allerlei bouwmaterialen waaronder stenen en spijkers vermeld voor reparatie van Spreeuwenstein. Ook werd toen gesproken over het dekken van het 'nederhuis', mogelijk de bebouwing van het terrein tussen de motte en de Bosweg, dat vanouds bij Spreeuwenstein behoorde. Het jaar daarop werden allerlei materialen van het 'oude huis' overgebracht naar het 'Hof' om daar te worden hergebruikt. Dat Hof kan niet anders zijn dan de Hofdijk, dat eigendom was van de heren van Voorne en al in 1373 werd genoemd. In tegenstelling tot de veronderstelling van 'De Motte' slaan die posten uit 1385 waarschijnlijk niet op Spreeuwenstein, maar op die grafelijke hof, die kennelijk na de overstromingen van 1383 ook aan vernieuwing toe was. Dat de herstellingen uit de Voornse kas betaald werden is niet vreemd. Op dat moment was Spreeuwenstein eigendom van Gerard van Spreeuwenstein, de zoon van Gerard de Bastaard van Voorne.
De schrijver van Dam, wiens voorouders uit Westvoorne afkomstig waren, sprak in 1680 slechts over een berg, waarop het vee kon worden ondergebracht bij overstromingen. Alle latere schrijvers noemen, kennelijk in navolging van hem, deze bestemming de Motte. De kaart van het Oudeland uit 1698 toont alleen de motte met de gracht eromheen, maar geen ruïne. Pas Isaac Tirion vermeldt in de Tegenwoordige Staat een detail waaruit blijkt dat er inderdaad resten van een gebouw op de motte hebben gestaan en dat van Dam, met zijn veronderstelling dat het om een vliedberg ging, ongelijk had. Tirion zegt dat in de berg rode steen werd gevonden, die de inwoners van Ouddorp gebruikten om hun huizen te versieren. In het dorp zijn daarvan nooit bewijzen gezien.

De opmerking over kennelijk fel rode steen doet echter onmiddellijk denken aan de herenboerderij die de familie Van Valckestein na de bedijking van de polder De Plas, 1,5 kilometer ten oosten van Spreeuwenstein, in 1563 liet bouwen, en die het Roode Huis of het Roohuis werd genoemd, kennelijk omdat het was opgetrokken uit rode baksteen. Bij een bezoek aan het terrein waar het Roode Huis heeft gestaan, werden na een fikse regenbui duidelijk resten van erg rode baksteen aangetroffen. Aangezien Spreeuwenstein in 1680 al lang verdwenen was, is het niet uitgesloten dat het kasteel al in de zesteinde eeuw is gesloopt en dat de vrijgekomen bouwmaterialen zijn gebruikt bij de bouw van het Roode Huis. Afgaande op de meldingen van Van Dam en Tirion kan men ervan uitgaan dat de resten van Spreeuwenstein in ieder geval bovengronds niet noemenswaardig waren. Waarschijnlijk ging het om ondergronds muurwerk. Jongejanin 1827 en na hem Van der Aa in 1847 melden dat na 1752 de toenmalige eigenaar Van Spreeuwenstein -dat moet de heer Maximiliaan Yvoy zijn geweest- de laatste restanten liet slechten. Bij die gelegenheid zijn onder meer een vierkant vertrek en zware funderingen aan het licht gekomen, die zijn afgebeeld op een achttiende-eeuwse krijttekening, die is aangetroffen onder de paieren van mr. Hendrik van Wijn (1740-1831). Van Wijn was pensionaris van Brielle en werd in 1802 de eerste landsarchivaris van de Bataafse Republiek, later het Koninkrijk der Nederlanden.
Het zijn waarschijnlijk deze resten die geleid hebben tot allerlei verhalen over onderaardse gangen. Zo zou er een gang hebben gelopen van Spreeuwenstein naar de Doopsgezinde schuilkerk aan de ring van Ouddorp. Twintigste-eeuws onderzoek heeft geen aanwijzingen gevonden voor een dergelijke gang.

Rechtsplaats

Naast de naam Spreeuwenstein raakte de naam 'De Blauwe Steen' in zwang. De Steenweg, die van het dorp Ouddorp naar deze plek leidde, ontleende daaraan zijn naam. Ook het tiendblok waarin de motte lag, kreeg een daarvan afgeleide naam: de Steentienden. een historische bijzonderheid dat op die plek de ban werd gehouden in civiele en polderzaken. Dat wil niet zeggen dat men er ook rechtsprak, zoals alle schrijvers melden, maar dat men er, en waarschijnlijk op of bij een blauwe steen (tegenwoordig noemt men dat stoepensteen), enkele rechtshandelingen pleegde, waarmee het proces in gang werd gezet. Na het uitspreken van de vaste teksten vertrok men, of naar het stadhuis te Goedereede of naar een herberg in Ouddorp waar de zitting werd voortgezet. Ook de inhuldiging van de baljuw, de officiële vertegenwoordiger van de heer van Voorne op Westvoorne, geschiedde op de blauwe steen. Adriaan Terling beschrijft in zijn kroniek uit 1602 precies hoe de baljuw van Brielle en Voorne eerst de eed aflegde ten overstaan van burgemeesters van Brielle op het stadhuis van die stad, waarna men vertrok naar de burcht van Oostvoorne waar hetzelfde gebeurde ten overstaan van leenmannen van Voorne. Hij vermeldt dat hetzelfde gebeurde met de baljuw van Goedereede en Westvoorne. Eerst op het stadhuis van Goedereede, daarna te Ouddorp ten overstaan van 'mannen van beschikke' van Westvoorne. Het is moeilijk verklaarbaar waarom dat op Spreeuwenstein gebeurde en niet op het Hof van de heer, dat elders in Ouddorp lag. In zijn naam werd immers rechtgesproken en niet in de naam van de heren van Somerland of hun opvolgers. Misschien verwijzen deze gewoonten ook nu naar de tijd dat de heren van Somerland werkelijk heerlijke rechten uitoefenden in de hun onderhorige gebieden genaamd Somerland, waartoe Westvoorne kennelijk oorspronkelijk behoorde. Ook in de landkeur voor Zeeland van Floris de Voogd uit 1256 wordt in artikel II gesproken over het 'dagen voor den steen' waarmee in dat geval het gravensteen te Middelburg en Zierikzee zal zijn bedoeld.

Wapen

Wat van Spreeuwenstein bewaard is gebleven en is overgeleverd, is buitengewoon schaars, waardoor er niet meer dan een schimmig beeld van de geschiedenis van het kasteel oprijst. Aan deze 'schim' kan nog één element worden toegevoegd, namelijk het wapen van het ambacht het Oudeland, waarin Spreeuwenstein lag. De blazoenering luidt: in zilver een rode burcht waaruit een zwarte ridder te paard rijdt. De hiervoor genoemde Adriaan Terling betoogt in zijn kroniek dat de ridder Sint Maarten voorstelt, de patroonheilige van het bisdom Utrecht en de daaraan onderhorige kerk van Ouddorp. Aangezien het attribuut van Sint Maarten ontbreekt - hij snijdt met een zwaard de helft van zijn mantel af om aan een bedelaar te geven- , is Terlings voorstelling onwaarschijnlijk. Wellicht kan het wapen gezien worden als symbolische verwijzing naar de burcht van waaruit deze streek van oudsher werd bestuurd, Spreeuwenstein dus.

Spreeuwenstein nu

In 1998 schreef de heer Schelhaas in enkele zinnen zijn voorkeur uit over de toekomst voor Spreeuwenstein. Een aantal wensen zijn inmiddels uitgekomen. Het terrein van Spreeuwenstein is zoals eerder vermeld nog steeds in particuliere handen. Zoals gezegd hebben de huidige eigenaren, in nauwe samenwerking met historische vereniging De Motte en met medewerking en subsidie van gemeente Goeree-Overflakkee en provincie Zuid-Holland archeologisch onderzoek mogelijk gemaakt. De uitkomsten hiervan zult u binnenkort elders op de site aantreffen, maar zijn nu al veelbelovend. Ook is al enkele jaren geleden een informatiepaneel geplaatst wat iets laat zien van de unieke historie van het gebied. Met name toeristen lezen dit met belangstelling, maar ook lokale inwoners raken steeds meer geïnteresseerd en zijn zicht bewust van de bijzondere waarde, nu er meer ruchtbaarheid wordt gegeven aan dit in historisch opzicht unieke gebied. Samen met de nabij gelegen, in oorsprong zeventiende-eeuwse Schans kunnen twee belangrijke verdedigingswerken worden bezocht en beleefd.